Vanmorgen zat de kater al te zeiken.
Niet miauwen, maar echt... aandachtsgedram.
Ik dacht nog: je wil toch niet alweer eten, je hebt brokken zat.
Maar nee. Hij wilde water.
Dat is ons vaste ochtendritueel. Hij drinkt, ik kijk alsof ik daar vrijwillig voor op aarde ben. Dus ik zet water neer. Hij drinkt.
Rust keert terug. Tot de pjoes besluit: nu is het mijn toneel.
Ze stormt op hem af, vol in de aanval. Waarom? Geen idee. Jaloezie? Macht? PMS?
Kater schrikt, blaast, kijkt haar aan van serieus? en besluit dan:
ik trek dit niet, ik ga naar buiten. Hij wandelt naar het luik, gaat erdoorheen — klaar met alles.
En daar staat hij dan. Buiten. Snuffelt wat. Inspecteert de houtvoorraad.
Doet z’n eigen ding. Zen als een zenmonnik met snorharen. De pjoes?
Die blijft binnen. Voor het kattenluik.
In hinderlaagstand.
Alsof ze denkt: zodra hij terugkomt, is het oorlog. Maar ja.
Hij komt niet terug.
Hij leeft z’n leven. En zij?
Zit daar. In haar eigen hoofd.
Boos, alleen, strategisch. En totaal ongevraagd. Ik keek naar haar, naar hem, en dacht:
wie zit er nou vast, en wie is vrij? Afsluiter:
Wat vind je hier eigenlijk van? Niet dat het moet. Maar ik luister wel.